Speciale OntwikkelwebsiteGratis bezorging vanaf €50

Vroeger kon je lachen

Vroeger kon je lachen
Geschreven door: 'Simon Carmiggelt'
04-01-2022
Tags
Lachen Verhaal Simon Carmiggelt

Een mooi verhaal

Met een schok werd ik klaar wakker.

Ik keek op de wekker en zag dat het acht uur was. Eigenlijk zou ik best nog een poosje kunnen doorslapen, want mijn beroep kent geen prikklok.

Maar ik ging op de rand van mijn bed zitten omdat ik niet terug wilde naar een droom, die ik me bijna herinnerde. Bijna. Ik probeerde er in mijn geest naar te grijpen, maar de gestalten werden schimmen en losten zich vervolgens op in een grauwe damp.

Ik liep naar de keuken. Dag keuken. Ik hou ervan, in de ochtend. 't Is er zo nuchter en zakelijk. Alles staat er afwachtend gereed voor handelingen die nu eenmaal verricht moeten worden. Koffie zetten, bijvoorbeeld. Ik begon eraan, op de automatische piloot die toch geen handeling vergat.

Van de droom wist ik alleen de wrange smaak nog. En dat ik jong was. Alles moest nog beginnen, maar ik was er niet blij om, want ik kende de afloop.

Ik schrok ervan. In de loop van de dag hoort het geluid bij de routine. Maar iemand die zo vroeg in de morgen belt, zou best eens onheil te melden kunnen hebben. Wie, zoals ik, veel dierbaren heeft die je kunnen maken en breken, is uiterst kwetsbaar.

‘Ja, hallo?’ riep ik.

De stem van een man vroeg: 'Is u die meneer die in de krant schrijft?'

‘Ja hoor.’

(Opgelucht, want het was geen naaste, maar een onbekende, wat matineus van aard.)

‘Zal ik u eens een mooi verhaal vertellen?’ vroeg de man.

‘Graag.’

‘Nou, dan moet u goed luisteren. Zondag, hè, zat ik op een bank in het Amsterdamse Bos. Er kwam een vrouw aan. Een onbekende vrouw. Ik had haar nog nooit gezien. Ze keek naar me. En ze zei: “Dag meneer.” Toen liep ze weer verder.’

Hij had langzaam en zorgvuldig gesproken. Nu viel er een stilte.

Na een poosje riep ik: ‘Hallo - is u daar nog?’

‘Ja.’

‘U zou een mooi verhaal vertellen.’

Ik hoorde hem diep ademhalen. Toen zei hij: ‘Dát was 't verhaal.’

We traden een nieuwe stilte binnen. Eindelijk vroeg ik: ‘Was 't een aardige vrouw?’

‘Een hele aardige vrouw. Voor mij was 't iets erg bijzonders, meneer. Dat ze dat zei. Want ziet u, de dokter zegt, dat ik contact gestoord ben. Zo heet dat. Contact gestoord. En d'r is niks aan te doen.’

De laatste zin had hij nog langzamer uitgesproken, omdat hij een duidelijke neiging tot stotteren wilde onderdrukken.‘Ik kom uit een groot gezin,’ zei hij. ‘Tien kinderen. Mijn vader werkte in de haven. Breed hadden we het natuurlijk niet. Maar we mochten niet klagen. Nee, we waren best gelukkig, meneer. U moet niet denken dat we ongelukkig waren, hoor.’

‘Dat denk ik ook niet,’ zei ik.

‘Maar er heeft een voorval plaatsgevonden. Lang geleden. Ik ben nou negenenvijftig jaar. Maar ik zal zestien zijn geweest. Ik ging het huis uit. 's Ochtends om naar mijn werk te gaan. En ineens vroeg een stem achter me: “Kunt u me ook zeggen hoe laat 't is?” Ik keek om en - te pletter ben ik me geschrokken, meneer. 't Was een man met een grijze baard en een hele grote, rode puist bij z'n neus. Ik begon hard te rennen en hij liep nog even achter me aan en vroeg weer: “Kunt u me zeggen hoe laat 't is?” De klere ben ik me geschrokken, meneer. En daarna is het eigenlijk misgegaan met mij.’

Hij stotterde nu zeer hevig. Tot bedaren gekomen zei hij: ‘Contact gestoord, heet het. Maar die vrouw zei toch tegen me: “Dag meneer.” In het Amsterdamse bos. Dat vond ik toch zó fijn en ik...’

‘Toetoetoetoetoe’ deed de telefoon. De verbinding was verbroken. Ik legde de hoorn erop en bleef nog een poos naast het toestel zitten. Maar hij belde niet terug.